Judo: Ontstaan en filosofie

 

banner links 

1.1. Oorsprong

Professor Jigoro Kano werd op 28 oktober 1860 geboren te Mikage, nabij Kobe. Op zijn elfde verhuisde hij en zijn familie naar Tokio. Hij beëindigde daar succesvol de universitaire studies voor economische en politieke wetenschappen, gevolgd door een doctoraat in de filosofie.

Omdat zijn lichaamsbouw klein en tenger was, leed hij onder het geplaag van zijn medestudenten op zijn 18e. Daarom ging hij naar een ju-jitsu school. Hij had gehoord dat men door middel van deze sport kon leren verdedigen. Hij kreeg les van diverse grootmeesters in deze sport. Daardoor leerde hij het sport door en door kennen tot op een dag dat meester Ikubo zei: "Ik heb u niets meer te leren."

Hij kwam tot de conclusie dat het uitschakelen van de tegenstander niet voldoende was voor hem. Hij wilde eerder de training van lichaam en geest benadrukken en dat er daarnaast een soort wedstrijdvorm kon plaatsvinden, zonder dat de tegenstander een letsel opliep. Daarom richtte hij in 1882 een nieuwe school op en noemde het de Kodokan. Hij onderwees er zijn eigen methode, namelijk Judo.

Hij had negen leerlingen (Tomita Tsunejiro, Higuchi Seiko, Nakajima, Arima Junshin, Matsuoka, Amano Kai, Saigo Shiro, Yasmashita Yoshiaki, Yokoyama Sakujiro) in een dojo met 12 tatami's in de Eishotempel. De start van judo was redelijk moeilijk, omdat ju-jitsu bekeken werd als de superieure sport van de twee. De principes, spreuken en de ideaal bewonderden de meesten wel, maar aan het nut ervan in een gevecht werd getwijfeld. En niet alleen getwijfeld, maar ook streng bekritiseerd door ju-jitsu-beoefenaars (vooral door grootmeester Hikosuke Totsuka).

In 1886 werd er een tornooi ingericht door de stedelijke politie van Tokio. De Kodokan tegen de school van Totsuka. Dit tornooi werd gewonnen door de Kodokan met 13 overwinningen en 2 onbesliste kampen. Sindsdien werd het nut van judo wel ingezien en werd judo als superieur beschouwd. Tot 1922 werd de Kodokan judo technisch verbeterd en de geestelijke inhoud werd geperfectioneerd.

banner rechts 

 

1.2. Filosofie

Jigoro Kano had dus een andere filosofie als deze van de ju-jitsu. Voor hem was het een fysieke en geestelijke training waar het resultaat ook belangrijk was, maar waar enorm respect voor de tegenstander was! Ju-Do betekent letterlijk: "De zachte weg".
De training zelf bestond uit het spel van aanvallen en verdedigen met een verantwoordelijkheid ten opzichte van de oefenpartner, zodat de betekenis "zachte weg" waarheid bleef. Daaruit volgde de twee basisspreuken van het judo: Jita Kyoei en Seiryoku Zen'yo!
Doel van het Judo: Jita KyoeiJita Kyoei betekent "voorspoed en algemeen welzijn". Dit is een zeer mooie grondgedachte. Door de training moet de mens bewust gemaakt worden de medemens te respecteren enerzijds door zichzelf geestelijk en lichamelijk te ontwikkelen en anderzijds door te helpen aan de ontwikkeling van de partner of medemens. Het doel van het judo is dus: door eigen vervolmaking bijdragen tot de vervolmaking van de gemeenschap.
Het middel: Seiryoku Zen'yoSeiryoku Zen'yo betekent "maximale doeltreffendheid bij een minimum aan inspanning". Met een kleine inspanning moet een groot resultaat bekomen worden. Door te oefenen wordt het lichaam ontwikkeld, maar om een maximum resultaat te bekomen, moet men denken en zo dus de geest ontwikkelen. Ju betekent soepel, mee- of toegeven. Het gebruik van kracht (en andere inspanningen) moet dus gezien worden in functie van het resultaat. Een klein voorbeeldje: Als iemand duwt, is het eenvoudig om met de beweging mee te gaan (door aan zijn armen te trekken) en zo heb je minder kracht nodig om het af te werken.